logo

Wat is ziekte?


Het algemene beeld dat velen van ziekte hebben, is dat het een lichamelijk feit is, dat vast gesteld wordt door een arts. Deze – foute – visie wordt bevorderd door de poortwachterrol die artsen worden toegewezen door de overheid.

Huisartsen functioneren als poortwachter voor de gezondheidszorg. Zij bepalen wie toegang krijgt tot onderzoeken, specialisten, medicijnen en soms zelfs “euthanasie”. Ook worden artsen ingehuurd als poortwachter voor de openbare kas. Zij houden zich dan bezig met “keuringen” of “indicatiestelling.” Tevens worden artsen, veelal psychiaters, door justitie betrokken bij oordelen over vrijheidsberoving op grond van “gevaar” (BOPZ), toerekeningsvatbaarheid, kans op herhaling (TBS), voogdij, curatele, en tal van andere niet medische aangelegenheden.

De vermeende deskundigheid van artsen op deze gebieden, dat wil zeggen hun vaardigheid om vaker juiste voorspellingen te maken dan leken, is nooit aangetoond. Integendeel, het schaarse onderzoek dat op dit gebied bestaat, toont aan dat artsen niet hoger scoren dan leken. Dit verbaast niet, want geen van de hierboven genoemde door de overheid toegespeelde functies is onderdeel van geneeskunde.

Geneeskunde gaat over wetenschap, die op haar beurt stoelt op aangetoonde feiten.

Het woord ziekte is een lekenterm. Een persoon (of in het geval van een incompetent persoon, de verzorger) stelt zélf vast dat hij ziek is, bijvoorbeeld omdat hij zich onwel voelt. Heeft de persoon weinig hinder van de zelfbeoordeelde ziekte; vertrouwt hij in het gunstig verloop ervan zonder verdere behandeling; of behandelt hij zichzelf; komt de zieke niet bij de dokter. Hij is daarom toch nog wel ziek. Ziekte wordt niet bepaald door de arts.

Op het moment dat iemand in aanraking komt met een arts, wordt hij in het medisch vakjargon patiënt genoemd. De patiënt vertelt aan de arts zijn klachten, bijvoorbeeld pijn, misselijkheid of onverklaarbare moeheid. Deze klachten heten in het medisch vakjargon symptomen. Symptomen zijn dus de subjectief beleefde klachten van de patiënt.

Stel iemand komt er zelf niet uit en besluit patiënt te worden. Hij vertelt de arts zijn klachten. Nu is de arts aan zet.

De rol van de arts is het sorteren van relevante en niet relevante klachten; het identificeren van een herkenbaar patroon in de relevante klachten; en een theorie vormen over wat de oorzaak zou kunnen zijn. Bijvoorbeeld, onze patiënt klaagt over veel dorst, vermagering en een rode huid. Rode huid en dorst vormen samen een herkenbaar patroon, dat veroorzaakt zou kunnen worden door zonnebrand en uitdroging. De vermagering zou in dit geval niet relevant zijn. Anderzijds vormen dorst en vermagering ook samen een herkenbaar patroon, dat veroorzaakt zou kunnen worden door een afwijking van de stofwisseling. In dit geval zou de rode huid mogelijk niet relevant zijn.

De arts dient dus een keuze te maken tussen deze bekende patronen waar de klachten in vallen en de verschillende ontstaanstheorieën. Om de juistheid van het patroon en de ermee samenhangende theorie te bevestigen, zoekt de arts naar achtergrondinformatie, bijvoorbeeld de patiënt is net terug van vakantie in een zonnig oord. Deze achtergrondinformatie heet in vakjargon anamnese. Hij zoekt ook tekens (in het Engels signs). Tekens zijn door de arts observeerbare en meetbare gegevens, meestal met gebruik van aanvullend onderzoek. Een teken dat bij dorst en vermagering relevant zou kunnen zijn, is een hoog suikergehalte in de urine. Wanneer de klachten van de patiënt én de objectief waarneembare tekens in een door de arts identificeerbaar patroon vallen, dan is er sprake van een syndroom. Syndromen worden in medisch vakliteratuur omschreven en een naam toegewezen. De naam van het syndroom dat bij onze patiënt geïdentificeerd is heet suikerziekte, of met een duur woord, diabetes.

Dat het woord “ziekte” voorkomt in de naam van het syndroom kan verwarrend werken. Diabetes is een syndroom. Of onze patiënt zichzelf "ziek" beschouwt, en mogelijk de identiteit “diabeticus” aanneemt, is zijn eigen keuze, niet die van de arts. De taak van de arts is de identificatie van het syndroom – dit heet diagnose – en eventueel het aanbevelen van een kuur.

Dus de rol van de arts in geneeskunde is het syndroom herkennen, niet erkennen. Een syndroom wordt herkend aan een bekend en terugkerend patroon van klachten én aan door de arts waarneembare tekens die bij het patroon van de klachten passen. Vaak blijken in de loop van de geschiedenis nieuwe tekens ontdekt te woorden die altijd in het patroon passen, waardoor syndromen in een vroeger stadium herkend kunnen worden, en hun verloop, al dan niet met bepaalde interventies, betrouwbaar kan worden voorspeld. Dergelijke tekens kunnen observeerbaar en meetbaar gemaakt worden, bijvoorbeeld met laboratoriumonderzoek van bloed of weefsel; of met röntgenfoto’s, scans, kijkoperaties, enz.

Ter opsomming:
Ziekte is een lekenterm.
Patiënt is iemand die bij de art komt.
Symptomen zijn subjectieve klachten die de patiënt vertelt aan de arts.
Anamnese is achtergrondinformatie.
Tekens zijn objectief waarneembare en meetbare gegevens.
Syndroom is een herkenbaar patroon in de klachten en tekens.
Diagnostiek
gaat over het identificeren van deze patronen oftewel syndromen.

Diagnostiek kan niet plaatsvinden zonder objectief waarneembare tekens. Wanneer die er niet zijn, of niet bekend zijn, wil dat niet persé zeggen dat er niets aan de hand is. Het zegt alleen dat de arts niet kan weten óf een syndroom aanwezig is, en zo ja, wélk. De arts kan dan ook geen voorspelling doen over het verloop van de klachten, laat staan óf, en zo ja, wélke interventie zinnig zou zijn.

Overigens, niet alleen leken raken in verwarring over de betekenis van verschillende begrippen die toegepast worden in de geneeskunde. Ook bij artsen heerst verwarring over deze begrippen. In het (inmiddels opgeheven) Diagnostisch Kompas dat in Nederland door het College van zorgverzekeraars gratis werd verstrekt aan alle artsen en medische studenten, werden verschillende soorten begrippen door elkaar gebruikt. Zo werden bijvoorbeeld bij de omschrijving van (verdenking op) diabetes mellitus, klachten zoals dorst en moeheid, tekens zoals urineweginfecties en bloeddruk, en risico factoren zoals roken en alcoholgebruik door elkaar op één hoop gegooid. Het “diagnostisch” boek voor de psychiatrie maakt het nog méér bont. Daar komen tekens niet eens in voor.

En hoe zit het nu met het beoordelen van, bijvoorbeeld, arbeidsongeschiktheid? Arbeidsongeschiktheid is geen wetenschappelijk maar maatschappelijk begrip. Iemand kan een syndroom hebben, en toch arbeid verrichten, of geen syndroom hebben, en toch geen arbeid (kunnen) verrichten. Bij het al dan niet verrichten van arbeid komen allerlei factoren kijken, zoals het soort werk, de werkomgeving, de beschikbaarheid van het werk, de neiging van werkgevers om bepaalde soorten mensen aan te nemen, enz. Al deze factoren liggen buiten het deskundigheidsgebied van de arts. De poortwachterrol van de arts stoelt niet op wetenschap of deskundigheid, maar op maatschappelijke macht.

naar boven
naar hoofdpagina

logo

Copyright © MeTZelf