De UB (Universiteitsbibliotheek) had weer eens de
boeken die ik besteld had nog niet op de plank terwijl ik al bijna
literatuur-onttrekkingsstuipjes kreeg. Ik spoedde mij dus de hoek om
naar De Slegte. Nu lees ik heus niet enkel boeken die over geneeskunde
gaan, maar ik had haast vanwege een afspraak, en geneeskunde stond
precies links van de ingang.
Al snel bleek dat wat De Slegte verstaat onder
geneeskunde niet hetzelfde is als ik. Er waren allerlei boeken over
diëten, oefeningsregimes, kruiden, ortho-dit, manuele-dat en
andere vormen van “alternatieve geneeskunde” maar iets dat stoelt op
bronnen van informatie waar ik vertrouwen in heb stond er niet bij.
Toen viel mijn oog op “Kwakzalvers op kaliloog” van Cees Renckens,
voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK). Even langs
de kassa en in de wachtkamer van mijn volgende afspraak kon ik eraan
beginnen.
Jullie weten dat ik op mijn manier constant strijd
tegen kwakzalverij. Ik dacht in Cees Renckens een bondgenoot te hebben.
Hij is arts (gynaecoloog) en zou mij kunnen bewapenen met argumenten
die hout snijden. Helaas …
Legitieme argumenten ben ik in het hele boek – bijna
300 pagina’s met kleine lettertjes – niet tegen gekomen.
Renckens omschrijft herhaaldelijk niet-artsen als
“mensen die niet gewend zijn wetenschappelijk te denken.” Maar
zijn beschrijving van alternatieve geneeskundigen, alterneuten, noemt
hij ze, klinken allerminst wetenschappelijk. “Kwakzalvers [zijn]
volgens Dante in de diepste regionen van de Hel bevonden” {pp25-26},
zegt Renckens. Zij “moeten zich verder vooral in hun onreine sop gaar
koken” {p46}, “[zijn] brutale apen” {p128}, “doe[n] ons denken aan …
[een] zedeloze groep gajes” {p133}, “[zijn] beunhazen” {p150}, “[zijn]
warhoofd of … misdadiger” {p151}, en “ [zijn] medische
randgroepjongeren” {p222}.
Hun publicaties “[kunnen] met de vuilnisman worden
mee gegeven … Sommige boekverbrandingen verdienen ieders sympathie”
{p122} en “Wie langer dan tien minuten hardop uit de genoemde bladen
leest gaat uit de mond stinken” {p282}.
Zijn diepste haat reserveert Renckens voor
gediplomeerde artsen die er alternatieve geneeskunde bij doen. Die
hebben “grootheidsideeën, overmatige distinctiedrift en andere
karakterneurosen, en zelfs grovere psychiatrische problematiek” {p
155}. Wanneer de reumatoloog professor Rasker medewerking verleent aan
wetenschappelijk opgesteld onderzoek over een alternatief middel –
waaruit blijkt dat het inderdaad een kwakzalf is – zou je denken dat
Renckens hoera roept. Maar nee, hij beledigt de professor, zijn vader,
en de universiteit waaraan de hoogleraar is verbonden {p259}.
Waarom is Renckens niet blij wanneer het bewijs van
zijn stelling geleverd wordt? Hij roept immers meerdere malen in zijn
boek dat alternatieve behandelingen moeten voldoen aan de zelfde
criteria als reguliere behandelingen? Waarom roept hij dan elders in
het boek herhaaldelijk dat er helemaal niet getoetst mag worden? Vreest
hij dat een toets ook wel eens positief zou kunnen uitvallen?
Daarover zegt Renckens, “een positieve uitkomst moet worden beschouwd
als een bedrijfsongeval” {p197}. Onderzoek over homeopathie is niet
betrouwbaar, zegt Renckens, omdat “effectonderzoek met negatieve
uitkomst zal niet snel worden gepubliceerd” {p213}. Het onderzoek
waaraan Rasker meewerkte, waarin het product werd ontmaskerd als niet
meer effectief dan een placebo, werd medegefinancierd door de
producent. Probeer maar eens publicatie van zo’n bevinding te
bemachtigen bij Organon of Janssen-Cilag! Is bij hen een positief
resultaat ook een “bedrijfsongeval”?
We mogen van Renckens de alternatieve behandelingen
helemaal niet toetsen. Dat verleent maar eer aan de alterneuten. We
hoeven ook hun uitleggen niet te lezen, en niet te geloven in
statistieken {p34&196}, maar blijkbaar wél wanneer het gaat
om reguliere behandelingen. We moeten blindelings de alterneuten
verwerpen en op Renckens vertrouwen wanneer hij zegt dat het
kwakzalverij is “omdat er geen enkel theoretische verklaring te
bedenken valt” {p34 e.a.}. Waar moeten we dan wel in geloven?
“[W]erkelijk effectieve geneesmiddelen zoals … tranquillizers (sic)”
{p38}.
Bijna was ik het met Renckens eens toen ik las “die
categorie leidt immers tot medicalisering van psychogene problematiek,
tot somatisch fixatie en tot een afhankelijkheidsrelatie met de
behandelaar. Het belemmert – door dat de patiënt een absurde
verklaring van de symptomatologie krijgt aangepraat – een zinvoller
aanpak” {pp40-41}. Jammer, Renckens heeft het over acupunctuur, en die
“zinvoller aanpak” is volgens hem … psychiatrie!
Met mij zal de lezer vermoeden dat er bij Renckens
iets anders aan de hand is dan wetenschappelijk bezwaar. Hij zegt het
zelf het beste: “Zijn de reguliere artsen soms toch bang voor
concurrentie?” {p73}. Immers, geeft Renckens toe, vóór de
invoering van de Wet van Thorbecke in 1865 “[berusten] de verschillen
tussen kwakzalvers en officieel erkende hulpverleners … veel meer op
verschillen in opleiding en bevoegdheidserkenning (de gilden) dan op
belangrijke verschillen in geneeskundige prestaties” {pp58-59}. Met
andere woorden, het was allemáál maar kwakzalverij. Met
de Wet van Thorbecke zijn de gilden vervangen door overheidserkenning.
Renckens verheerlijkt telkens de Wet van Thorbecke die het
artsenmonopolie instelt, volgens hem “niet om de positie van de artsen
te beschermen, maar uitsluitend om de positie van de patiënt te
beschermen” {p127}, alhoewel deze wet is aangenomen op “sterk
aandringen” van de beroepsorganisatie van de artsen {p145} die immers
de belangen van de artsen dient {p207}. Waarom was het nodig in 1881 de
VtdK op te richten, als de artsen hun concurrentiestrijd bij de
politici al gewonnen hadden? Omdat de vraag naar niet-reguliere
behandelingen ondanks de Wet van Thorbecke onverminderd is.
Herhaaldelijk door het hele boek roept Renckens de overheid op om geen
(belasting)geld, subsidie, semi-overheidsgeld of erkenning naar
alterneuten te sluizen, en tegelijkertijd niet te bezuinigen op hem en
zijn “vakbroeders” {term p173}. Het liefst zag Renckens alternatieve
behandelwijzen helemaal “vernietigd”. De indruk blijft dat de VtdK,
opgericht toen er nog helemaal geen “wetenschappelijk denkende” artsen
waren, toen en nu nog steeds simpelweg strijdt tegen concurrentie.
Dat iemand geld uit eigen zak uitgeeft aan
alterneuten vindt Renckens op pagina 73 niet zo erg, gezien wat er in
Nederland uit wordt gegeven aan prostitutie, vuurwerk en
schoonheidsbehandelingen, ondanks dat de pagina daarvoor iemand die
geld aan een alterneut betaalt “slachtoffer” is. Nee, zijn bezwaar is
dat alternatieve geneeswijze
• bevordert medicalisering en somatische fixatie;
Huh? Welke geneeswijze doet dat???
• isoleert de patiënt; Want stel hij
krijgt van zijn alterneut een dieet voorgeschreven, dan kan hij niet
bij zijn vrienden gaan eten! en
• de patiënt wordt een absurde voorstelling
van anatomie, fysiologie en therapie voorgehouden... een perfecte
omschrijving van juist de al te reguliere psychiatrie!
Maar het eerste bezwaar van Renckens, de troefkaart van iedere arts, is
dat alternatieve geneeswijze
• kan … dodelijk zijn {p74}.
Bijbelkenners zal het bekend in de oren klinken: wie
de Éne Échte Geneesheer afvalt, zal zijn zonde met de
dood bekopen. Hiermee plaatst Renckens in zijn verwaandheid zichzelf en
zijn “vakbroeders” boven de kring van “normale mensen” {p46} en naast
De Eeuwige.
Ter verdediging van de stelling voert hij een
tweetal verhalen naar voren. Het eerste is een verhaal zonder
bronvermelding dat Renckens ooit heeft horen vertellen over een peuter
met een ontsteking aan de strotklep {p55}. Merkwaardig aan dit geval is
dat op pagina 33 Renckens ons juist waarschuwt tegen het geloof in
onverifieerbare anekdotes, want die gaan een eigen leven leiden. Het
zal inmiddels duidelijk zijn dat Renckens, die anderen verwijt met twee
maten te meten {p222}, het zelf ongeremd doet. Het tweede verhaal is
over Flora, een vrouw met baarmoederhalskanker die zich “onttrekt”
(alsof dat niet zou mogen!) aan de gynaecologie en de voorkeur geeft
aan alternatieve behandeling. Ditmaal geeft Renckens ten minste een
bronvermelding – het dagblad Trouw. Het geval van Sylvia Millecam was
blijkbaar nog niet voorgevallen toen “Kwakzalver op kaliloog” ter perse
ging.
Renckens gaat voorbij aan het feit dat, zoals
hijzelf elders toegeeft, verreweg de meeste mensen die zich wenden tot
alterneuten komen met vervelende maar niet dodelijk klachten zoals jeuk
of pijn waar de reguliere geneeskunde geen antwoord op heeft; of met
dodelijke ziektes die ook door reguliere geneeskunde niet te genezen
zijn; of met aandoeningen die geheel niet somatisch van aard zijn.
Gevallen zoals van Flora en Sylvia zijn uiterst zeldzaam, vandaar dat
ze krantenkoppen halen. Het is bovendien niet gezegd dat wanneer
alternatieve geneeskunde door overheidsverbod vernietigd was, Flora en
Sylvia zich wél hadden onderworpen aan Renckens en zijn
“vakbroeders”. Anderzijds is het inmiddels geen geheim meer dat de
meeste mastectomieën en hysterectomieën overbodig zijn omdat
meer conservatieve behandeling voldoende was geweest maar niet werd
aangeboden. Oh, wat hakken de reguliere vakbroeders graag vrouwelijke
lichaamsdelen af.
Dat lijkt niets op de “[l]iefdevolle zorg, troost,
hulp en steun aan naasten” {p185} en “deugden” {p50} die Renckens
beweert dat we kunnen krijgen van hem en zijn soort maar niet van
alterneuten. Hebben jullie daar ooit iets van gemerkt? Bovendien bieden
reguliere artsen “stervenshulp” {p185}. Daarentegen is euthanasie
wanneer uitgevoerd door een arts die ook aan alternatieve geneeskunde
doet “moord” {p221}. Twee maten, weer.
Enkel op pagina’s 171-172 laat Renckens
relativerende opmerkingen toe. Hij citeert de arts Knipschild: “Het
werkingsmechanisme van geneeswijze is niet relevant. De reguliere
artsen weten toch ook niet hoe een aspirientje werkt!” en “Er zijn
slechts effectieve en niet-effectieve behandelwijze en dat onderscheid
loopt dwars door de reguliere zowel als de alternatieve geneeskunde
heen.” Met spanning las ik verder hoe Renckens deze stellingen zou
weerleggen. Dat doet Renckens nergens in de 297 pagina’s.
We weten inmiddels hoe Renckens denkt over
alternatieve genezers. Wat vindt Renckens van jou en mij? Er is voor
ons “geen grotere ramp dan twee artsen die tegenstrijdige adviezen
geven” {p47} of “elkaar tegenspreken” {p74}. Wij zijn “in het algemeen
met weinig onderscheidingsvermogen toegerust” {p 121}. En wij laten ons
“lokken met allerlei irrelevante ‘attracties’, zoals het recht op
gratis second opinion” {p121}. “Een mannelijk arts met een oorringetje
of met tatoeages zal niet snel het vertrouwen van zijn patiënt
winnen” {p50}, een ramp voor Renckens en zijn soort, want zonder
wetenschappelijke argumenten, liefdevolle zorg of positief resultaat
zullen ze ons moeten snaren met hun uitstraling van gezag.
Als we alternatief gezind zijn, zijn we “medische
grootgebruikers” die ook nog eens met onze hypochondrie veel reguliere
artsen lastig vallen {p135}. Als we “pleit[en] voor een paar goed
opgezette trials (sic) naar de werkzaamheid van de homeopathie” dan
zijn we “een pias” {p 217}.
Duidelijk is dat Renckens van medische en
therapeutische zelfbeschikking en volledige informatiegeving niet
gediend is. We moeten hém gehoorzamen. Punt. Omdat hij de dokter
is.
Niet onterecht vreest Renckens het vervagen van de
grens tussen alternatieve en reguliere geneeskunde. Wat zou er gebeuren
als die grens weg viel? Beide vormen van hulpverlening zouden wel eens
onder de zelfde loep kunnen genomen worden. Laten we het omdraaien,
niet de alterneuten moeten voldoen aan de zelfde eisen als de
regulieren, maar omgekeerd.
Stel Renckens en zijn collega artsen zouden moeten
voldoen aan de zelfde eisen als de alterneuten? Dus niet “Is de
behandeling wettelijk toegestaan? Is het getoetst door een medisch
ethische commissie? Is het de standaard behandeling die iedere arts zou
voorschrijven bij die diagnose?” maar “Is het effectief? Is het veilig?
Is de klant tevreden?” Dan zou het wel eens kunnen blijken dat ook in
de praktijk van gynaecoloog Renckens, naast een minderheid van zinnige
behandelingen, de kwakzalverij zegeviert.
Conclusie: wil je een goed boek lezen over geneeskunde, ga niet naar De
Slegte, tenzij je tijd hebt de trap op te lopen en onder de gebruikte
boeken iets te zoeken. Begin maar aan ’t eind van de alfabet. Alles dat
Ivan Wolffers schrijft is zeer lezenswaardig. Voor Wolffers is trouwens
“alternatieve” geneeskunde niet synoniem met kwakzalverij noch
“regulier” synoniem met “goed.” Zie ook:
http://www.metzelf.nl/actualia/2003-10-13.html